Naar een nieuwe elite

Sunday 03 January 2016

Vijf jaar geleden lanceerden wij - redacteuren, regisseurs, cameraploeg en producers (zie plaatje boven) - Hoe heurt het eigenlijk? Na vijf seizoenen 'Bij ons in de PC' had ik het wel een beetje gezien met eerste generatie geld. De diepgang van een speedboot; soms ben je dat gespetter gewoon even zat. We gingen terug naar de oorsprong, de tradities, gebruiken en etiquetteregeltjes waarmee Ons Soort Beschaving zich onderscheidt. Zoveel jaar later ben ik nog steeds niet uitgekeken op al die ongeneeslijke kakkers en werken we al weer aan serie 6. Reden? Oud geld vertelt iets over wie we zijn, waar we vandaan komen en misschien zelfs wel waar het heen môt met dit land. Daarnaast is HHHE bijna irritant elitair. I love it. Waarmee meteen de vraag opgeworpen is: hebben we eigenlijk behoefte aan een elite? En laat dat nou precies het thema zijn van de Belcampo-rede die ik hield in de Nieuwe Kerk in Groningen. Bij deze de tekst. Een longread. U bent gewaarschuwd...    

Leden van Belcampo!

Het is mij een eer en genoegen in deze kerk te mogen preken over het nut van een elite. Zeker hier in het hoge Noorden, waar men van oudsher meer affiniteit heeft met de communist Fré Meis, de socialist Max van den Berg en - sta mij enige topografische souplesse toe - de anarchist Domela Nieuwenhuis. Dat krijg je ervan met die Groningse heerenboeren! Wie verdeling zaait, oogst rooie reuzen.

Toen uw lid Tom de Witt Hamer mij vroeg de Belcampo-lezing op mij te nemen, moest ik bekennen niets meer van Belcampo te weten dan dat hij arts te Groningen was. Dat het de benaming van een Rotaryclub was ontging mij geheel. Een snelle zoekactie leverde niet alleen inkijkjes in Balcampo’s oeuvre op, maar ook de informatie dat het Letterkundig Museum de kampeerbroek bewaart waarin deze Herman Pieter Schönfeld Wichers zijn reizen volbracht. Ik moet bekennen, kamperen is niet mijn genre en Belcampo duidelijk niet mijn schrijver, maar toen ik er via een geliefde ex achter kwam dat zij als actrice zojuist een Gouden Kalf won dankzij haar rol in De Surprise, een film gebaseerd op een bizar verhaal over zelfmoord & suïcide van Belcampo… kijk, toen was mijn interesse wel weer gewekt. Gelukkig schoot De Witt Hamer te hulp: de Belcampo-lezing hoeft niet over de literatuur in het algemeen of Belcampo’s werk in het bijzonder te gaan. Ik ben hier niet bij een lees- maar een serviceclub. Sterker, ik ben onder Rotarians, dus geneer mij geen moment en kies voor een onderwerp waar wij Hollanders niet van houden: de elite.

GEBUTSTE PEUGEOT VERSUS BESPOILERDE PORSCHE

Sinds ik als jongetje keek naar ‘Brideshead Revisited’, gebaseerd op een boek van Evelyn Waugh, ben ik geïnteresseerd in ‘de elite’, of wat daar voor doorgaat. Noem het verderfelijk voyeurisme van een telg uit de middenklasse, maar de vrolijke exuberantie van de opkomende rijken en het melancholieke verval van de oude families fascineren mij. Sebastian, de erfgenaam van het schitterende estate Brideshead, die z’n leven vergooit aan drank en jongens en onafscheidelijk is van z’n teddybeer Aloysius. Een zelfde onafwendbare afbrokkeling zien we nu in de serie Downton Abbey, waar een adellijke familie zich bijna tegen beter weten in tracht staande te houden in de nieuwe tijd. Gelukkig ben ik niet de enige met zo’n fetisj voor oud geld, al ben ik wel een van de weinigen die er zijn vak van heeft gemaakt.

Al een kwart eeuw schuur en gluur ik als een amateur-antropoloog door de dreven en lanen van elitair Nederland. Eerst als reporter van Quote, daarna als verslaggever te velde van respectievelijk het tv-programma ‘Bij ons in de PC’ en ‘Hoe heurt het eigenlijk?’. In het glanzende zakenblad ging het vooral over eerste generatie geld, de zogeheten nieuwe rijken, of deftiger gezegd: de nouveaux riches. De laatste jaren vier ik mijn voyeurisme vooral bot op krakerige kastelen en bemoste buitenplaatsen, waar oude geslachten proberen hun glorieuze stamboom overeind te houden.

Als ik een voorkeur voor een van beide categorieën kenbaar zou moeten maken, neig ik naar het oude geld. Niet omdat een freule in een pruttelende Peugeot zoveel charmanter is dan een nieuwgeldmeneer in een bespoilerde Porsche. Alle respect voor de zogeheten zelfgemaakte man. Maar het oude geld heeft iets extra’s. Zelfs al hebben ze weinig toekomst, ze vertellen ons iets over het verleden. Geven houvast in deze verwarrende tijden. 

Voor ik aan mijn pleidooi voor een nieuwe elite begin, allereerst de vraag of we in dit vlakke, egalitaire laagland wel zoiets hebben als een te onderscheiden elite? Behoort Rotary bijvoorbeeld tot de elite? Volgens de taalkundige definitie wel, u vormt immers een beperkte groep bevoorrechte mensen. Wat mij betreft behoort u, of tenminste enkelen onder u, tot een elite. Maar u bent niet de elite. En zo zijn er naast Rotary nog honderden kringetjes te onderscheiden die allemaal een stukje van die veronderstelde elite vormen. De leden van corpora, die kennen we, natuurlijk. Maar ook de directeuren van culturele instellingen, de bazen van grote bedrijven, de diplomatieke dienst en de ambtelijke top - niet voor niets vaak aangeduid als ‘de vierde macht’. Of, om maar even dicht bij huis te blijven, het BN’er-dom en de tv-adel die iets hebben dat veel tieners denken te begeren: beroemdheid.

Al die duizenden leden van de elite komen elkaar vast weleens ergens tegen, zij het in het Concertgebouw, in het Torentje van de premier of zelfs op het paleis aan de dis bij Lex & Max. Maar toch zou ik niet willen spreken van ‘de elite’; daar zijn al die groepjes beslissers gewoon te divers voor.

IN HOLLAND IS NIEMAND DE BAAS

Vraag aan een Engelsman hoe hij Nederland ziet, en goeie kans dat-ie zegt: ‘Holland is not a country, it’s a club’. Voor een Brit is een landje met zeventien miljoen inwoners net even groter dan Londen, hoofdstad van een empire dat twee eeuwen lang werd bestuurd vanuit de gentlemen’s clubs op Pall Mall. Een schromelijke overschatting door de Britten. Wij kennen dat nauwelijks, die gecultiveerde elite en de traditie van de herenclub. Natuurlijk, de Amsterdammers hebben hun Industrieele Groote Club, de Rotterdammers ‘de Maas’ en op het Haagse Plein staat fier Sociëteit De Witte. Maar aangezien ze daar tegenwoordig ook middenkader ambtenaren toelaten en er in Den Haag sowieso weinig verdiend maar vooral veel uitgegeven wordt, zou ik die club toch niet willen kwalificeren met ‘de elite’ laat staan ‘De Macht’. Waar zit die dan wel, die macht? Tsja, dat is lastig in een land waar het devies is dat we met z’n allen moeten pompen of verzuipen, waar we polderen en dus niemand echt De Baas is. 

Er zijn stapels publicaties geschreven over De Macht, die zich doorgaans samen zou ballen in de boardrooms, die weer gevuld worden door corporale netwerken. Die zijn er, zeker. Vroeger studeerden de toekomstige kooplieden, bestuurders en juristen in Leiden of Utrecht, later vooral in Rotterdam of - ik kom u tegemoet - zelfs Groningen. Natuurlijk waren ze ‘lid’ van het USC, van Minerva of Vindicat. Ze kenden en kennen elkaar en besturen de grote bedrijven. Maar vormen ze daarmee ook ‘de elite’? Volgens mij is daar meer voor nodig, namelijk een veel nauwer samenhangende groep van invloedrijke mensen die het aanzien van een land in al z’n geledingen bepalen. Politiek, economisch, wetenschappelijk en cultureel.   

HEREN MOGEN DRINKEN, DRIJVERS MOETEN NUCHTER BLIJVEN

Zo’n traditie van elite-vorming bestaat in onze buurlanden wel, vooral in het klassebewuste Engeland. Daar bezocht de top van de samenleving al voor Hendrik de Achtste kostscholen als Eton, Harrow of Westminster, om daarna af te studeren op Oxford of Cambridge. Dat is al eeuwen zo, en dat vindt men in Engeland volstrekt vanzelfsprekend. Zoals ze het in het koninkrijk van de Windsors ook volkomen normaal vinden dat sommige mensen iets gelijker zijn dan anderen. Mede dankzij een gunstiger erfrecht (de Engelsen kenden geen Franse overheersing met haar egalitaire burgerlijk recht, waardoor ze konden vasthouden aan het recht van de eerstgeboren zoon) leeft de Britse aristocratie nog goeddeels in z’n mansions en estates, leven ze het country-life nog met hun entourage van jachtopzieners en pachters en bezetten nog steeds 92 edelen op basis van geboorte een zetel in het House of Lords. Zo’n Lord kan vriendschappelijk omgaan met z’n personeel, maar er is altijd afstand. Ik maakte dat vorig jaar aan den lijve mee toen ik voor mijn tv-programma werd uitgenodigd op een jachtpartij in Schotland. De ‘geweren’ werden bediend door heren met doorgaans een eigen jachtterrein en de ‘drijvers’ waren mannen uit het dorp die voor een kleine vergoeding de eenden en fazanten opjaagden richting de klaarstaande schutters. Toen we voor de lunch aanlegden bij een jachthut nam ik plaats aan een van de uitnodigend klaarstaande tafels. Iemand wenkte mij dat ik verkeerd was gaan zitten. ‘Excuse me, Sir’… dat was de ‘beaters-table’, de drijvers, verderop zaten de heren met de geweren. Het verschil was, hoe subtiel ook, voelbaar. Aan de drijverstafel werd water en thee gedronken, zodat men weer fris het veld in kon. Aan de tafel van de heren met de geweren had men gene last van dat soort burgerlike beperkingen en liet men zich de wijn goed smaken. Verschil moet er zijn. Klasseverschil dat ook luid en duidelijk hoorbaar was. Uiterst beschaafd BBC-Engels bij de stijve bovenlippen versus de tongbrekende medeklinkers van het volks-Schots.

DE ADEL JAAGT EN WORDT BEJAAGT

Ook de Nederlandse elite, verzameld in het rode adelsboekje en de blauwe bundels van het patriciaat, weet zich taalkundig te onderscheiden. Ze hebben een eigen dictie en woordkeus, waarbij een even subtiel als beslissend verschil bestaat met deftigdoeners uit de lagere klassen. Jonkvrouwe Agnies Pauw van Wieldrecht heeft er ooit eens een boekje over geschreven. De titel ‘Vin-je dat we een hoed op moeten?’ zegt alles. Plat praten kan heel bekakt zijn, maar je môt wel weten hoe. Overigens werd de schrijfster binnen adellijke kring kritisch bejegend omdat velen vonden dat ze de codes van haar kaste niet mocht prijs geven; zo zouden parvenu’s zoals ik hun kunstjes maar na gaan doen.

Wat het oude geld betreft is er niets mis met onderscheid. In Hoe heurt het eigenlijk? illustreerde jonkheer Tjalling van Eysinga dat eens door te laten zien waarom zijn vuile, beschimmelde en verroeste Landrover zoveel netter was dan mijn veel te nieuwe exemplaar, die de Friese landjonker dan ookpesterig afserveerde als ‘die PC-tractor van jou’. Van Eysinga is zo’n man die zich niet aan burgerlijke normen houdt. De adel leeft volgens zijn eigen wetten, dat was altijd al zo. Een veelzeggend voorbeeld wat dat betreft is het duelleren, een manier van conflictbeslechting voor heren van stand die lange tijd mild door de strafrechter beoordeeld werd. Ook hun huis-tuin-en-keuken normen zijn anders, zo bewees Van Eysinga tijdens het tv-interview dat ik met hem had. Terwijl de camera nog snorde, stond hij op en kondigde aan ‘even een struik te gaan doodzeiken’. Heel normaal voor een edelman die zich boer voelt en dus innig verbonden is met zijn grond. Bij de gebruiken van deze landadelman hoort, uiteraard, al generaties de jacht. De zogenoemde ‘plezierjacht’ is omstreden, maar welbeschouwd stelt het weinig meer voor in onze streken. Folklore uit een voorbije tijd. De verstokte jager die toch een tableau met tweehonderd zwijnen wil schieten, laat zich uitnodigen door de Bismarckjes of legt aan op fazenten op een Schotse jacht. De domeinen van de Hollandse adel, ja zelfs die van de Oranjes, zijn eenvoudigweg te klein en lopen te veel in de kijker. Niet de adel jaagt, zij worden bejaagd door de oprukkende moderniteit. Wie bijvoorbeeld voorbij het monumentale Eysinga Staete kijkt, ziet meer dan een glorieus huis. Om het landgoed te exploiteren is er een camping, een golfbaan en een bungalowpark. Het voorname familiehuis ligt er bij als een voornaam monument uit voorbije, feodale tijden.

ADEL IS ERFGOED, ORANJES ZIJN EXIT

En dat zal alleen maar erger worden. Sinds op 1 augustus 1994 de Wet op de Adeldom werd aangenomen zijn de jonkheren, baronnen en graven officieel ‘cultureel erfgoed’ geworden. Er komt geen nieuwe adel meer bij. Dat privilege kwam de koning altijd toe, een recht waar de negentiende eeuwse Willems gretig gebruik van maakten. Notabele families die zich naar des Konings oordeels verdienstelijk hadden gemaakt voor het land, werden in de adelstand verheven, zodat ze een rol in het bestuur konden spelen. Loyaliteit aan de vorst werd wel verwacht, want uiteraard: de ene hand waste de andere. Met die door geboorte uitverkoren elite heeft Thorbecke in 1848 afgerekend. En terecht. Wel is er binnen de kaste der edelen anderhalve eeuw later sprake van een zekere opleving; er is een bloeiende Adelsvereniging, er wordt nog steeds onderling getrouwd en de voor protestante edelen toegankelijke Johanitterorde telt meer ridders dan ooit. Het is ze gegund, maar het is tevens een gevecht tegen de evolutie dat ze dreigen te verliezen. Sinds ze hun politieke privileges kwijt zijn, is het aantal families gehalveerd en is hun invloed op de politiek, het bestuur en de rechterlijke macht verwaarloosbaar. De enige namen die mij meteen te binnen schieten zijn die van Sybrand van Haersma Buma en Kajsa Ollogren. Maar daar ga je al, de CDA-leider staat niet in het rode, gesloten adelsboekje maar in het blauwe open boekje van het patriciaat. Bovendien laat hij in de publiciteit geen kans onbenut om zijn dubbele naam populair af te korten tot Buma. Bu-ma, ofwel burgerman. Jonkvrouwe Ollogren, de Amsterdamse D66-wethouder en gewezen meesterknecht van de minister-president, is afkomstig uit een nobele Zweedse familie maar voert haar titel niet.

Hardop zullen ze het niet snel zeggen, maar de adel ziet het aanvreten van haar geprivilegieerde posities het pijnlijkste onderstreept door de nr. 1 in hun hiërarchie: de koning. Die trouwde met een burgermeisje, weliswaar de dochter van een Argentijns junta-lid, maar toch. Zoals Pierre Vinken, de zoon van een Limburgse mijnwerker die het schopte tot gevierd uitgever, kunsthistoricus, neurochirurg én oprichter van het Republikeins Genootschap, mij ooit toevoegde: ‘Zodra ze met burgermeisjes gaan trouwen heeft het geen functie meer en is het binnen vijftig jaar bekeken met de monarchie.’ 

Als je het over elite hebt, zet die adel dan op z’n best in de parkeerstand. Er komt niets meer bij, niemand wordt nog ‘verheven’. Er sterven hooguit families uit. Ollongren is een uitzondering, evenals Oosteuropese edelen als Jankovich en Wladimiroff die ‘ingelijfd’ werden als jonkheren en - ik kan hem op deze gelegenheid niet overslaan - mijn gastheer De Witt Hamer, wiens familie werd ‘erkend’. Hij moet het u zelf maar uitleggen, maar ik zie ons nog voor ‘Hoe heurt het eigenijk?’ op een bankje op het Haagse Lange Voorhout zitten met beschilderde perkamenten rollen waaruit bleek dat de De Witt Hamertjes ooit door een vorst Maximiliaan van het Heilige Roomsche Rijk in de adelstand waren verheven. Ergens in de geschiedenis was de lijn ruw gebroken, om pas onlangs door de Hoge Raad van Adel te worden gelijmd, waardoor hij nu dus officieel lid is van de niet getitelde adel - toch, jonkheer De Witt Hamer?

MIJNHEER FRITS, MIJNHEER ANTON? - WAAR IS U?

U, nuchtere Groninger, zal zeggen, is dat nu zo belangrijk, zo’n paar deftige lettertjes voor je naam? Maar wie ooit binnenstapte in de hal van een adellijk huis snapt wat ik bedoel, het belang van ver terug gaan, van geschiedenis, van zoals de Engelsen het zo mooi zeggen heritage. Binnengekomen in zo’n oud huis stuit je onmiddellijk op de voorouders, die vanuit tegen de wand gespijkerde lijsten streng neerkijken op hun nazaten. Overigens, er wordt wat afgesjoemeld met die portretten, want wie zal zeggen dat die plechtig kijkende heer boven de trap inderdaad een over-over-overgrootvader is, en niet gewoon een portretje van de rommelmarkt? Niettemin, wéten waar je vandaan komt, kan nut hebben. Die erflaters geven een opdracht mee: waardeer je afkomst, houd de familie in stand. Ik denk dat dat zin heeft. Want wie niet weet waar we vandaan komen, hoeft mij ook niet te vertellen waar we naar toe moeten.

Ik kom daar straks op terug, maar ga eerst even met zevenmijlslaarzen door onze contemporaine geschiedenis. De adel werd bestuurlijk buiten spel gezet door Thorbecke, maar het duurde nog tot ver na de Eerste Wereldoorlog voor hun beslissende rol in de maatschappij afnam. De volgend cesuur ligt in de jaren zestig en zeventig, toen de verbeelding aan de macht kwam en er werd afgerekend met de religie en de regentencultuur. Vanaf de jaren tachtig omhelzen we het individualisme en de ideologie van de Mamon, of zoals de grote denker Jesse Klaver het graag noemt: het economisme. Politici praten alleen nog maar over bezuinigen, zonder overigens ooit minder uit te geven. En bedrijven zijn niet meer die gemeenschappen die het ooit waren, met eigen sportverenigingen, opleidingen voor de kinderen van de arbeiders en vakantiehuizen voor de gepensioneerden. Er wordt nu, zoals dat zo gezellig heet, ‘gestuurd op aandeelhouderswaarde’. En zo is de KLM is niet meer de blauwe familie en wonen de Philips-employees niet meer in hun eigen wijk onder aanvoering van ‘Mijnheer Anton’ of ‘Mijnheer Frits’. In wereld van de stockholder value spreek je Engels en dus draait het om kpi’s en r.o.i., zijn entrepreneurs de nieuwe helden, start-ups de leuke neefjes en private equity de gevaarlijke oom waar je geen snoepjes van moet aannemen. Het nieuwe, snelle geld is aan zet. En laten we eerlijk zijn, dat doen ze verdomde handig. Oude families die moeten verwijzen naar een bewindhebber van de VOC die het familiefortuin vergaarde of een voorouder die bij Waterloo de titel bij elkaar knokte, kijken knarsentandend naar het gemak waarmee ondernemers van nu de wereld bedwingen. 

En zo kan het dan gebeuren dat niet het pretpark van de graven Van Zuylen van Nijevelt twee pandaberen van de Chinese staatspresident huisvesten, maar Marcel Boekhoorn ze mag gaan leasen voor zegge één miljoen euro per jaar. De timmermanszoon uit Nijmegen die in bedrijven ging handelen en er een dierentuin als hobby bijheeft. Wanneer zagen we dat eerder? Juist, in de zeventiende en achttiende eeuw, toen puissant rijke koopliedengeslachten al volières lieten vullen met exotische have. Om te pochen en te vergapen, uiteraard. Al ging men nog niet zover als dierenvriend Boekhoorn tegenwoordig die zijn kantoor liet bouwen boven een kooi met oerang oetans, zodat hij zijn gasten tijdens een bespreking kan vermaken door zo nu en dan een kist op zijn bureau te openen en een banaan te voeren aan een grijpgrage aap.

Het is lekker om smerig rijk te zijn, en al sta je liever niet met je hele hebben en houwen in de Quote 500, gêne voor opulentie is bij eerste generatie rijken soms ver te zoeken. Dat komt pas bij de tweede of derde generatie, maar zoals u weet, is het geld dan meestal al weer op. Status is ook veranderlijk. Toen ik studeerde was het cool om voor een corporaal corporate bolwerk als Heineken, Unilever of de ABN te werken. Nu kan dat grijze pak wel uit en die blauwe BMW weg en ga je met je baardje, laptop en hippe koffie naar het internetbedrijf dat je met twee huisgenoten hebt opgericht. Ogenschijnlijk een perfect evolutionair proces: van feodale vriendjespolitiek naar een meritocratie waarin niet afkomst maar talent bepalend is. Iedereen kan de top halen, en het land is beter af. Is dat zo? Ik twijfel. 

ALLES VERPATST VOOR EEN BONUS

Elites zijn niet statisch, zelfs niet als ze van aangeboren adel zijn. Nieuw geld wordt oud geld en oud geld wordt geen geld. Die wetmatigheid is er altijd geweest. Koopliedenfamilies kwamen op, baronnen verarmden of verdwenen geheel. Dubbeltjes konden kwartjes worden, en sommige kwartjes werden rijksdaalders. Grappig genoeg gebruikt men daar in socialistische kringen precies hetzelfde woord voor als in de aristocratische klasse: verheffing. Kinderen uit de heffe des volks gingen behoren tot de middenklasse en een enkeling die zich langdurig verdienstelijk had gemaakt voor volk, vaderland en Oranje werd zelfs verheven in de adelstand. Die tijd is over. Uit allerlei rapporten blijkt dat de sociale mobiliteit kleiner is geworden. Niet geld maar het opleidingsniveau van de ouders bepaalt het maatschappelijk succes van de kinderen. Kom je uit een gezin waar ‘drie jaar Mavo-zwakstroom’ de norm is, dan is de kans dat men tot de top gaat horen statistisch gezien gering. Voor u vreest dat ik u met een lang referaat over de onderklasse ga vervelen, geen zorg, dat doe ik niet. Anders had u Hans Spekman wel gevraagd voor deze Belcampo-lezing. 

Wat ik betoog is dit: voor de afbraak van de elite en de religie is niets in de plaats gekomen. Een machtsvacüum dat schreeuwt om een aanvoerder. De roep om richting, om een visionair, om moreel leiderschap wordt luider. Laat ik wat voorbeelden geven. Het zakenleven wordt sinds drie decennia beheerst door managers die de werkelijkheid vanuit hun spreadsheets denken te bedwingen. Hun salaris konden ze verveelvoudigen met aandelenopties en/of bonussen. We weten inmiddels wat dat heeft opgeleverd. Korte termijn-denken, dames en heren, heeft veel economisch erfgoed weggevaagd. KLM was in 1921 de eerste luchtvaartmaatschappij, maar werd door zwak management en vizieloze politici onder intrinsieke waarde cadeau gedaan aan de Fransen. Nedlloyd was een fiere rederij, voortgekomen uit het koloniale rijk dat ons koninkrijk ooit was. Toen het even tegenzat verkocht een directeur-huurling met accountantsachtergrond het bedrijf aan het Deense Maersk. Uiteraard kreeg hij, net als de KLM-topman, een ruime bonus voor deze uitvaart. Leo van Wijk, de KLM-doodgraver, kreeg trouwens ook nog een Legion d’Honneur toegestopt, als cynische blijk van waardering van de Vijfde Republiek voor zijn voor Frankrijk zo zegenrijke werk. Ik kan nog talloze voorbeelden noemen. Van Hoogovens en Elsevier, die de betere partij in een fusie waren maar toch het spel van de Engelsen verloren. Via Shell en Unilever die nog een Nederlandse topman hebben maar in Londen vergaderen en genoteerd zijn. Tot uw venster op de wereld, naar ik aanneem de Volkskrant of NRC Handelsblad. Ondanks kolommen vol wereldwijze- en soms zelfs wat betweterige stukjes, is dit Hollandse journalistieke elitecorps onderhorig aan zijn Vlaamse eigenaren. Tenslotte ABN Amro, de rechtsopvolger van de in 1824 door Koning Willem I opgerichte Nederlandsche Handel-Maatschappij. Binnenkort gaat die bank weer naar de beurs, maar het is geen schim van de globale speler die het ooit was. Het is geen wereldspeler, maar een lokale bank die onze grote bedrijven van weleer vanweg z’n beperkte expertise en balanstotaal niet eens kán bedienen. Mag niet van de minister. Ze zouden eens risico kunnen lopen. Het effect dat ze u vanaf morgen willen aansmeren heet een ‘dividend-aandeel’. Lees: we hebben geen ambitie, maar failliet gaan we ook niet dus keren we ieder jaar vijf procent couponrente uit. Boring! Maar vooral: waar is de ambitie om vooraan te willen staan in de wereld? 

PIET, DE KLEINE KRABBELAAR

Oud-Akzo-baas Aarnout Loudon, een van de laatste aristocraten die topman van een groot bedrijf was, vroeg ik eens hoe hij naar die cultuur van hoge aandelenkoersen en hoge beloningen keek. ‘Ik vind het vulgair’, zei hij. En analyseerde waar het is mis gegaan, ergens in de jaren negentig. ‘Toen topmannen met hun vrouw naar modeshow gingen.’ Hij doelde niet alleen op Cees van der Hoeven, de door een boekhoudschandaal smadelijk vertrokken opperbaas van Ahold. Hij doelde op de salarymen aan de top die zichzelf als sterren waren gaan zien. En hoewel Loudon het niet met zoveel woorden zei, doelde hij waarschijnlijk op een gebrek aan discipline, aan fantsoen, aan opvoeding. Een Engelse aristocraat zou wel weten hoe hij de graaizucht van een generatie managers zou rubriceren: ‘Rather common’, of  ‘So middleclass’. Die sneer wordt onderschreven door onderzoek: de heffe des volks en de lagere middenklasse wist zich niet te beheersen toen ze na een lange klim eindelijk aan de top van de pyramide stonden. De verleiding was te groot. Wie van kinds af aan wordt getraind op praten met een stijve bovenlip en een hete aardappel, weet wat beheersing betekent. Toegeven aan verleidingen is zwak, hoe menselijk ook. Minister-president Ruud Lubbers, opgeleid aan het elitaire Canisius College, serveerde Piet van Zeil, zijn staatssecretaris voor de middenstand en zoon van een caféhouder, pijnlijk af toen deze bewindsman weer eens het nieuws haalde met een financieel slordigheidje. ‘Piet’, sprak de premier partriarchaal, ‘is wat wij noemen een kleine krabbelaar.’ 

Groot denken, dat leerde Lubbers bij de jezuïten. De kaste van jonkheer Loudon is sowieso geleerd over grenzen heen te kijken. Maar het is ook de laatste generatie die opgroeide in oud geld-tradities, met internaten en de bijbehorende strenge tucht en strikte sociale controle. In het verzuilde Nederland was men souverein in eigen kring. Binnen de adel zie je dat nog steeds. De bijna driehonderd adellijke families kennen elkaar, velen zijn zelfs familie. Hun taak in het leven is in stand houden en doorgeven. Letterlijk is dat meestal het familielandgoed met het tafelzilver, maar figuurlijk uiteraard de tradities en gebruiken van een elite die al generaties gewend is de dienst uit te maken. ‘Cashen & wegwezen’, zoals veel managers deden, past niet in dat wereldbeeld. Je houdt in stand, geeft door, liefst in iets betere staat dan je het ‘orf’ van jouw ouders. Geld speelde geen rol: dat was er gewoon, punt. Het draaide en draait om reputatie. In die filosofie is een bedrijf geen handelswaar, maar een familieverhaal waarvan de laatste bladzijde steeds opnieuw geschreven moet worden. Deze zomer ging ik bij Alexander Fürst zu Schaumburg Lippe op audiëntie op zijn kolossale Schloss Bückeburg. De opdracht die hij voor zichzelf ziet, zegt het allemaal: ‘Het ergste wat mij na 22 generaties kan overkomen, is dat ik hier het licht uit moet doen.’ 

Begrijp mij goed, ik pleit niet voor een revitalisering van feodale tijden. Want heus, ik gun alle jonkers en markiezen de voortzetting van hun schilderachtige familiesprookjes, maar de meritocratie is nu aan zet. De beste mensen op de beste plek, daar wordt de wereld wijzer van. Maar om al die individuele talenten richting te geven is meer nodig. Esprit de corps. Trots. Een gezamenlijke missie. En daar zijn wij slecht in in dit nuchtere laagland. Esprit is hier toch vooral een kledingwinkel voor de kinderen van kortpittige huisvrouwen en wie ergens trots op is verdenken we er onmiddelijk van Tros te kijken en Rita Verdonk te stemmen. 

RENAISSANCE MAN OF CFO?

Waar de Engelse elite studeerde op ‘Oxbridge’ en de Fransen hun toptalent recruteren op de Grandes Écoles, selecteren onze universiteiten niet op excellentie maar jagen zoveel mogelijk leerlingen in zo kort mogelijke tijd door een hbo-achtige opleiding. Reuze sympathiek als iedereen een zesje heeft, maar Nobelprijzen worden alleen met ‘tienen’ gewonnen. En wat voor zesjes. Niet in humaniora, in leren nadenken en anders naar de wereld kijken. Liefst leiden wij boekhouders de luxe op. Economie of bedrijfskunde, dat zijn de studies die relevant heten en de studenten snel opstuwen naar een betrekking als chief financial officer. Zoals m’n gewezen verkering zou zeggen: cie-ef-oo, wat is dat voor een kotsie-kotsie-woord? 

Wij krijgen geen beter Nederland omdat we zo goed kunnen boekhouden maar omdat we completere mensen afleveren. Waar is-ie gebleven, de Renaissance Man die excelleert op meerdere gebieden, van harde kennis tot zachte waarden? Helaas past dat niet in het ideale profiel voor de modelstudent: maximaal 4 jaar studeren en dan a.s.a.p. een baan!  Door de toegenomen studiedruk staat het verenigingsleven onder druk, waardoor studenten hoogst individueel blokkend boven de boeken op hun bul afdenderen. Wie duizenden eerstejaars door een leerfabriek wil persen, moet niet vreemd opkijken als dat later legbatterij-leiders met intellectuele bloedarmoede oplevert. Als je talent wilt ontwikkelen, geef ze dan de beste hoogleraren en een beetje ruimte voor Bildung, of zo u wilt, wat meer aanrotzooien. En als ze thuis of in de kerk niet meer te horen krijgen hoe het heurt; dan moet de meester of de hoogleraar dat er maar inrammen... Zo kweek je een intellectuele en creatieve voorhoede die meer kan dan spreadsheets lezen en algoritmes inkloppen. 

Samenhang, meer grensoverschreidend verkeer tussen verschillende disciplines en andere geledingen van de maatschappij is nodig. Daar liggen kansen, want bij elkaar klitten om te kletsen kunnen we als de beste. Een hoopgevend initiatief in deze richting stond gisteren in Het Financieele Dagblad: NL 2025. Een zeer gevarieerde groep van tachtig ondernemers, publieke dienders, kunstenaars en opinieleiders die samen maatschappelijke projecten willen opzetten - te beginnen in het onderwijs. NL2025 is ontstaan in Davos tijdens het World Economic Forum, een van de weinige plekken waar de wereldelite elkaar consequent ieder jaar in januari treft. Tijdens een gesprek tussen onze minister-president en Philips-baas Frans van Houten ontstond het idee om meer te doen dan mopperen vanaf de zijlijn. Een club was geboren. Of het iets oplevert is afwachten, maar de samenstelling van het gezelschap oogt interessant. Dit heeft de kiem in zich van een nieuw réveil, van een steen in de vijver in dit veel te rimpelloze land.

NIEUWE ADEL

Tenslotte toch een voorstel voor nieuwe adel. In ons koninkrijk worden we eind april altijd geconfronteerd met de zogeheten lintjesregen. Het heeft Zijne Majesteit dan behaagd duizenden landgenoten te onderscheiden vanwege hun verdiensten. Ik vind het een wat kinderachtige vertoning, maar aangezien al die modelburgers er blij mee zijn heb ik er verder vrede mee. Alleen snap ik - en ik vermoed met mij velen - weinig van alle verschillende ridderordes, van de leden tot de officieren en commandeurs, van de Orde van de Nederlandse Leeuw tot de Orde van Oranje Nassau. Waarom niet zoals ieder zichzelf respecterende monarchie kiezen voor het enige prejoratief dat de Koning toekomt, een handvol adellijke onderscheidingen vanwege uitzonderlijke verdiensten? Engeland heeft z’n sirs, de Belgische koning slaat landgenoten nog tot baron of graaf. De kritiek daarop is beperkt, dus waarom zouden wij in het egalitaire Nederland niet eens een poging wagen enkele grote zonen of dochters boven het maaiveld uit te tillen? Zo’n douceurtje van de koning kan helpen. Noblesse oblige: adel verplicht. Het zal wennen zijn, in dit land waar het hoogst haalbare is als je ‘zo gewoon bent gebleven’. Maar zo’n royaal gebaar naar enkele vooraanstaande Nederlanders kan een begin zijn. We hebben voorbeelden nodig. Idolen. Iconen. Niet alleen in de sport en het entertainment, maar ook in het zakenleven, het bestuur, de cultuur en de wetenschap. Een zelfbewuste elite op basis van verdienste, die onze samenleving een glimpje glamour gunt en jonge generaties ten voorbeeld kan zijn. Die jaarlijkse verheffing zal ongetwijfeld overstemd worden door de valse tonen van de afgunst en een twitterstorm kracht 8. Daar moeten we doorheen. Want het is een manier om, heel voorzichtig, het fundament te leggen van de nieuwe elite waar ons land z’n voordeel mee kan doen. En om de boze pennetjes voor te zijn, beloven we nu al dat de toegekende titels, net als bij de lintjes, na het overlijden onverwijld moeten worden teruggestuurd naar de staat. Dan gaat iedereen weer gelijkgeschakeld z’n kist in. Want hé, we blijven wel Nederlanders hè…    

Uitgesproken in de Nieuwe Kerk in Groningen op zondag 8 november 2015.